Vijf jaar geleden stroomde het water door Limburgse straten en huizen. Maar voor veel bewoners en ondernemers is de nachtmerrie nog niet voorbij.
Het water is allang verdwenen, maar de littekens blijven. In Valkenburg aan de Geul en omliggende dorpen worstelen inwoners nog steeds met de gevolgen van de verwoestende waterramp uit 2019. Destijds traden rivieren en beken buiten hun oevers na drie dagen niet-aflatende regen. Terwijl in aangrenzende Duitse gebieden meer dan tweehonderd mensen om het leven kwamen, bleef Limburg gespaard van dodelijke slachtoffers. Wel moesten talloze mensen hals over kop hun huis verlaten.
Burgemeester Daan Prevoo spreekt van een "ramp na de ramp". In eerste instantie leek er steun genoeg: medelijden, solidariteit, belofte van een ruimhartige aanpak. Maar in de praktijk bleek het tegendeel waar. Complexe voorwaarden, ingewikkelde procedures en strenge beoordelingen zorgden ervoor dat veel gedupeerden tussen wal en schip vielen.
Wie aanspraak wilde maken op hulp, kon terecht bij diverse fondsen en regelingen. Toch hielden bewoners vaak een restschuld over van vijftien tot vijfenveertig procent. Hooguit vijfentachtig procent van de schade werd vergoed, vertelt Prevoo. Tuinschade bijvoorbeeld kwam helemaal niet in aanmerking voor compensatie, terwijl het heraanleggen van een tuin al gauw enkele duizenden euro's kost.
In de Emmalaan in Valkenburg staren bewoners inmiddels een jaar lang naar een bouwval. Het waterschap kocht daar een voormalige garage met woning om herstelwerk aan de kademuren uit te voeren. Maar na de sloop kwamen verblijfsresten van een gierzwaluw en dwergvleermuis aan het licht. Sindsdien liggen alle werkzaamheden stil, omdat het waterschap geen juridische risico's wil nemen.
In het nabijgelegen Epen kampen Stefan en Paulien Pinckaers met een ander probleem. Eind jaren negentig kochten ze een watermolen en bouwden die om tot ontmoetingsplek voor grote groepen. Toen het water in 2021 meer dan een meter hoog in hun pand stond, bleek de schade enorm. Erger nog: voor hun locatie langs de Geul gold een zogeheten nul-normering. Dat betekende dat het waterschap niet verplicht was om overstromingen tegen te gaan.
Het begrip zelfredzaamheid kwam op tafel. Alle verantwoordelijkheid, alle risico's en alle kosten werden bij het stel neergelegd. Om hun molen te beschermen tegen nieuwe rampen, lieten ze een dijk aanleggen, een muur optrekken en mobiele schotten plaatsen bij in- en uitgang. De totale rekening bedroeg bijna driehonderdduizend euro, die ze grotendeels zelf moesten betalen.
Onderzoeksbureau Deltares becijferde de totale schade in Limburg op ongeveer vierhonderddrieëndertig miljoen euro. Bijna de helft daarvan werd door verzekeraars uitgekeerd. Daarnaast kwam er geld binnen via het Nationale Rampenfonds, dat via giro 777 zo'n twaalf miljoen euro inzamelde, aangevuld met andere potjes.
Het kabinet zette vrijwel direct de Wet Tegemoetkoming Schade bij Rampen in werking. Die regeling is bedoeld om onverzekerbare schade te vergoeden, met een eigen risico voor gedupeerden. De maximale vergoeding ligt tussen de vijfenzestig en negentig procent.
Juist bij ondernemers ging het vaak mis. Van de eenentwintig miljoen euro die het Rijk beschikbaar stelde, kwam slechts vijf miljoen daadwerkelijk bij bedrijven terecht via de provincie. De rest – ruim vijftien miljoen – staat nog steeds op een rekening, in afwachting van een oplossing die ervoor zorgt dat het geld in Limburg blijft.
Burgemeester Prevoo wordt er alleen maar bozer van. Volgens hem leek de intentie van de regelingen vooral gericht op niet uitkeren. Ondernemers werden nog strenger beoordeeld dan particulieren. Ze moesten aantonen dat ze omzetschade hadden, vergeleken met het eerste coronajaar – een periode waarin nauwelijks omzet werd gedraaid. Daardoor vielen veel bedrijven meteen buiten de boot. De hoeveelheid regels en voorwaarden maakte het meer tot een ontmoedigingsbeleid dan een helpende hand.